In 1955 opende de N.V. Verheul een fabriek in Apeldoorn, maar dit werd pas een echte autofabriek nadat in 1958 de bedrijfsautoproductie van de Kromhout-fabriek in Amsterdam werd overgenomen. Gebaseerd op de bestaande Kromhout constructie en uitgevoerd met motoren van deze fabriek, ontwikkelde Verheul een geheel nieuw uiterlijk. De eerste Verheul bedrijfsauto’s kwamen in 1959 op de weg, ter gelegenheid waarvan de naam van de onderneming werd gewijzigd in N.V. Auto-Industrie Verheul. De werkzaamheden op het gebied van de carrosseriebouw werden intussen normaal voortgezet.
Verheul leverde zowel frontstuur- als normaalstuurwagens, trekkers en vrachtwagens in de middelzware en zware klassen en met twee en drie assen, die desgewenst ook met een AEC of Rolls-Royce motor konden worden uitgerust.
In 1961 begon zich een terugslag af te tekenen. AEC, een Britse bedrijfsautofabriek, nam een deel van het aandelenpakket over, terwijl tevens een coördinatie van de werkzaamheden tot stand kwam.
Kort na de reorganisatie lanceerde Verheul nog een geheel nieuw type met halffront cabine. Maar dat was tevens één van de laatste activiteiten van Verheul als automobielfabriek.
Tekst overgenomen uit: Heldt, B.H.: 80 jaar Nederlandse Automobielindustrie. Peters Uitgeversmij B.V., Deventer, 1976

Links: Verheul drie-asser uit de jaren zestig
Klik hier voor informatie over Verheul al carrosseriefabriek
In 1899 bouwde de Nijmegenaar C.V. Rosendaal een auto, die de naam Zwaluw kreeg. Er is over deze wagen, waarvan waarschijnlijk slechts één exemplaar is gebouwd, noch over de ontwerper iets naders te achterhalen.
bron: Heldt, B.H.: 80 jaar Nederlandse Automobielindustrie. Peters Uitgeversmij B.V., Deventer, 1976
September 1956
Volgens de website van Creusen begon hun fabrikage van elektrisch aangedreven bezorgwagens pas in 1959!
Werklust begon in 1974 met de produktie van een container kipper. Een 6x2, waarvan alleen de beide voorwielen werden aangedreven, door een vooras gemaakt door Terberg. De motor was een Mercedes-Benz diesel, gekoppeld aan een Allison versnellingsbak. De cabine was een door Werklust aangepaste versie van een British Motor Panels cabine. (klik hier voor de geschiedenis van Werklust)
In 1933 begon Evert van Ginkel een autohandel in Ederveen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het bedrijf succesvol met het ombouwen van GMC's, Dodge Beeps en Jeeps. Klik hier voor een uitgebreide historie van de firma. In 1967 ging het bedrijf verder onder de naam GINAF (zie aldaar)  advertentie 1964
J. en I. ten Cate in Almelo, fabrikant van vrachtauto's en aanhangwagens. Net als Kromhout en A.S. ging Ten Cate in 1935 complete trucks en trekkers onder eigen naam bouwen die geleverd werden met een Deutz dieselmotor. Het chassis werd in overleg met de klant in de gewenste wielbasis geleverd. De klant kon nu een complete combinatie van dezelfde fabrikant betrekken de service en onderhoud zou hierdoor een stuk eenvoudiger worden. Uiteindelijk werden een maar een beperkt aantal Ten Cate trucks gemaakt (circa 150 stuks). Het bleek te kostbaar te zijn om productie op grote schaal te doen.
Klik hier voor de geschiedenis van het bedrijf dat als smederij begon en later uitgroeide tot machinefabriek en tot een volwaardige trailerfabriek met veelal speciale voertuigen.

Bij de N.V Automobile Import Company te Amsterdam bouwde men voornamelijk Fords om tot een drie-assige A.I.C. “Truck” met de bedoeling het laadoppervlak c.q laadvermogen te vergroten. Deze voertuigen waren voorzien van de bestuurbare vooras, in het midden de vaste aandrijfas met eventueel naar wens geleverde (grotere) vertraging en aan het eind van de aangebouwde/verlengde chassis een ondersteunende bestuurbare achteras.
De bestuurbare voor- en achterwielen waren via een stangenstelsel met elkaar verbonden, zodat deze gelijktijdig stuurden. Door deze constructie alsmede het veranderde weggedrag kon men aan de wettelijk gestelde eisen m.b.t. (restricties van lange) achteroverbouwen voldoen.
advertentie maart 1923
 bron: Verkeer en Waterstaat 1930
Havas was een Nederlandse fabrikant van sportwagens en cabriolets.  Havas staat voor Hans van As, een garagehouder uit Hilversum. In de jaren 1950 bouwde hij onder andere een Formule 3 racer, een open rensportwagen op basis van Simca, en een dichte rensportwagen op basis van een Porsche Carrera.
Lees meer...
 advertentie oktober 1930
De firma Omnia Engineering Works, Houwing & Co hield zich bezig met de fabricage van en de handel in motorboten en losse motoren. Het bedrijf was eerst gevestigd aan de Leuvehaven te Rotterdam, maar verhuisde kort daarop naar de Reederijstraat 2 in Rotterdam. In 1906 werd een aanvang gemaakt met de fabricage van auto's, deze werden waarschijnlijk gemaakt in een fabriekje aan de Oostkousdijk 16 te Rotterdam. Het was een Belgisch ontwerp in licentie gemaakt, een auto waarvan de productie gestopt was, maar van welk merk is onbekend.
Reederijstraat 2 (bron: Gemeentearchief Rotterdam)
Lees meer...
De Nemo werd gemaakt in de fabrieken van Jan Jongerius te Utrecht. Nemo, oftewel Nederlandse Motorrijtuigfabriek, was opgericht door N.J. Kollewijn en M.L. van Amerongen. Nemo was een experiment net na WO II. Een bestelwagentje, drie cilinder mini-wagentje noemde een oud werknemer het. Het kreeg de bijnaam de Musketier. Men had veel geld in de ontwikkeling gestopt, maar het is volledig geflopt. Er zijn er maar 12 a 14 stuks van gemaakt.
Een Nemo, waarop de eigenaar W. de Groot trots laat weten dat hij zuivel en eieren verkoopt. We danken de foto aan zijn neef Peter de Groot (klik op de foto voor een vergroting)

advertentie december 1948, autodealer Rompelman in Almelo was destijds ook korte tijd vertegenwoordiger van dit merk
(collectie Hans van Reenen)
advertentie februari 1949 (collectie Hans van Reenen)
Spyker, begonnen als rijtuigbouwers in Hilversum 1880, in 1886 naar Amsterdam in 1895 eerste Spyker-Benz auto in 1900 eerste geheel door Spyker gebouwde auto, in 1927 ging het bedrijf failliet.

Lees meer...
In 1867 begon Daniël Goedkoop een reparatie scheepswerf op het terrein van de oude scheepswerf “Het Kromhout”. Goedkoop bleef de naam van de oude werf gebruiken. In 1901 werd door Kromhout voor het eerst een scheepsmotor geconstrueerd, het was een benzinemotor en in 1905 volgde een petroleummotor.
Korte tijd later volgde nog een ruwe oliemotor waarvoor in 1908 een geheel nieuwe fabriek aan de overkant van het IJ in Amsterdam-Noord werd gebouwd. De motoren vonden zoveel aftrek dat in 1911 de werf werd afgestoten en de motorenfabriek werd uitgebreid. De naam van het bedrijf werd nu “Kromhout Motoren Fabriek D. Goedkoop Jr. N.V.”
In 1929 werd besloten om ook dieselmotoren te gaan bouwen. Besloten werd om een bestaande motor in licentie te bouwen en de keuze viel op de Engelse Gardner-Diesel.
Vanaf 1932 werden de Kromhout-Gardner dieselmotoren geleverd als inbouwmotoren voor auto’s, schepen, locomotieven en als stationaire motoren. Kromhout was zeer actief in het aanbieden van de inbouwdiesels voor vrachtwagens en autobussen. De crisistijd hielp hierbij omdat door inbouw van een dieselmotor veel brandstof bespaard kon worden. De grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag lieten hun respectievelijke Magirus, Krupp en Minerva bussen ombouwen met Kromhout dieselmotoren. Ook vrachtwagen merken als Indiana, Reo en Minerva konden al vanaf de importeur met Kromhoutdiesels worden uitgerust.
Lees meer...
1938 tot heden.
Begonnen met stalen landbouwwagens, na de oorlog elektrische voertuigen voor spoorwegstations, huis aan huis bezorging en winkelwagens.
Tekst van de website van Spijkstaal: "In 1938 startte Spijkstaal tegenover de dorpskerk in Spijkenisse. Als dorpssmid produceerde Gerrit Neuteboom sterke, stalen landbouwwagens die een zware last konden vervoeren en door een tractor konden worden getrokken. Stalen wagens uit Spijkenisse; het merk Spijkstaal was geboren! Na de landbouwwagens volgden de elektrische melkwagens (zie hier een nostalgisch voorbeeld), de SRV-wagens en vele daarvan afgeleide producten. Later bleek de elektrische aandrijving ideaal in grote gebouwen; geen uitlaatgassen, heel betrouwbaar en weinig lawaai. Veel producten voor intern transport vonden hun weg in binnen- en buitenland."
 advertentie januari 1953
Een Pegaso bedrijfswagen waar door toevoegingen of veranderingen door Wierda een nieuwe typegoedkeuring werd vereist.
De carrosseriefabriek Smit ontwikkelde in 1969 een rijdende winkel met motor, voorwielaandrijving en besturing van de Citroën HY
Deze firma heeft de vrachtauto 'productie' beëindigd in 1982. Als MAN-dealer is het bedrijf (na een overname) nog steeds actief. De eerste RAM types gebaseerd op DAF en MAN componenten waren reeds in 1967 typegekeurd.
Een VOLVO bedrijfswagen waar door toevoegingen of veranderingen een nieuwe typegoedkeuring werd vereist.
Project PW 101 werd kort na de tweede wereldoorlog ontworpen door de vliegtuigconstructeur J. Moss (kwam bij Koolhoven vandaan) met een viercilinder boxermotor achterin. Zou door Micro Mettallum Engineering in Den Haag in productie worden genomen. Niets meer van gehoord.
Tussen 1904-1905 is een klein aantal auto’s opgebouwd uit buitenlandse onderdelen.
Op de Parijse salon van 1953 stond Joymobile, Hilversum (Washmobile Holland) met een auto met viercilinder Dellettrez dieselmotor van 45pk zonder carrosserie
Ivecon was een IVECO bedrijfswagen waar door toevoegingen of veranderingen een nieuwe typegoedkeuring werd vereist.
De N.V. Hogra Automobielfabriek maakte vrachtwagens in de klasse van 7 ton.
Lees meer...
W.A. Hoeks Machine en Zuurstoffabriek N.V. maakte in 1907 een stoomvrachtauto 4–5 ton 20pk compoundmachine en in 1913 nog een stoombrandspuit.
Op de RAI-tentoonstelling van 1899 stonden een 2,5 en een 4pk auto, verder niets van bekend
Den Held heeft kort voor de Eerste Wereldoorlog (1913-1914) minstens drie automobielen gebouwd. Deze hadden een 4-cylinder motor van Ballot, een chassis van Malicet et Blin en een carrosserie van de Rotterdamse carrosseriebouwer Dolk.
Citeria bouwde in 1956 één sportwagen met een 600cc BMW 2 cilinder boxermotor. Werd financieel debakel.
Bij ’t Vuur Arnhem heeft enkele auto’s gebouwd met motoren van Aster, Panhard en De Dion Bouton. Een order voor drie autobussen was te veel van het goede en deed het bedrijf failliet gaan.
N.V. Machine-, Rijwiel- en Automobielfabriek Simplex, Amsterdam. Opgericht 1887
Simplex Utrecht (1887-1895) dan Amsterdam vanaf 1895, automobielen van 1898 tot 1915, na de eerste wereldoorlog nog een paar auto’s. Totaal ongeveer 200 tot 250 auto’s, later nog fietsen en motorfietsen. In de zestiger jaren door fusies met andere rijwielfabrieken verdwenen.
Lees meer...
Door Ir. A. van der Goot ontworpen driewielig voertuig waarvan een serie van 20 stuks werd opgezet. De wagens zouden eerst alleen verhuurd worden en het onderhoud zou in eigen beheer gedaan worden en zo zouden de kinderziektes ook in eigen beheer opgelost worden. Het project is doodgebloed.
 
Mogelijk gaat het hier om de Electricit
 De 3 broers Frans, Antoon en Adri Otten uit Breda behoorden tot de eerste pioniers in Nederland, toen zij in het bedrijf van hun vader Pieter Otten het eerste motorrijwiel construeerden. Volgens de in het tijdschrift "Motor" gepubliceerde gegevens zouden zij in totaal 12 motorrijwielen hebben gemaakt, waaronder zich ook het allereerste damesmodel bevond. Tot schande van de gehele familie heeft hun zuster hiermee indertijd Breda onveilig gemaakt. Volgens overlevering waren de door hun gemaakte motorrijwielen echte snellopers die snelheden van 80 à 90 km/uur konden halen. Er zijn 2 exemplaren bewaard gebleven.
Zie ook artikel in 'Het Automobiel' nr. 86 van mei 1987
NEVA heeft behalve onderstaande twoseater tot in 1970 aangedreven transportwagens (motortrucks) geleverd.

Machinefabriek P. Konings opgericht in 1873 begon in 1901 met auto’s, er zijn 5 stuks gebouwd.
De vroegst bekende Konings auto uit 1899 (klik op de foto voor een vergroting)
zie ook: Anderheggen - Rijksnummer 592 & 600
Lees meer...
De Amsterdamse ingenieur Ferdinant Anderheggen bouwde rond de eeuwwisseling een prototype auto. De lichte voiturette was eenvoudig te hanteren en beviel hem na een jaar gebruik zo goed, dat hij in 1900 in de Amsterdamse constructie werkplaats van de gebroeders Willink een tweede bouwde. Deze auto was van het type vis-à-vis: vier zitplaatsen met tegenover elkaar zittende bestuurder en passagiers.
Lees meer...
Jumbo maakte eigen chassis met veel Ford componenten, klik hier voor de historie van de aanhangwagenfabriek en de diverse autobedrijven van de familie v.d. Meulen-Ansems

Lees meer...
 Begonnen in 1883 met de import van rijwielen om ze later ook zelf te gaan produceren. In 1898 heeft hij zelf een Dion Bouton gekocht en die rijdend over de weg opgehaald in Frankrijk. Hij was daar zo enthousiast over dat hij ze is gaan kopiëren.
Lees meer...
 De HOBRI was een 6x6 aangedreven truck, welke door Gi-Ho BV aan de VAM (Vuil Afvoer Maatschappij) geleverd werd voor het transport van afval op hun terreinen. De afkorting HOBRI staat voor dhr. Houweling (van Gi-Ho) en dhr. Brink. Deze laatste was de directeur van de VAM vestiging te Mierlo, alwaar de truck kwam te rijden. De bouw van de truck werd uitbesteed aan GINAF. Van de HOBRI is slechts een enkel exemplaar vervaardigd. Na de HOBRI heeft Gi-Ho nog diverse trucks aan de VAM geleverd, echter onder de naam GI-HO. De truck werd aangedreven door een DAF dieselmotor i.c.m. een automatische transmissie.
Hinde (v. Gink) is in 1893 opgericht als rijwielfabriek, Iin 1898 is één auto gebouwd.
Onderstaand verhaal werd opgetekend door Jan Lammerse

1972 Kipauto van 12 ton met Henschel cabine en DAF dieselmotor
In Auto- en Transportwereld van 29 augustus 1972 heeft hierover een uitgebreid artikel gestaan. De auto werd samengesteld door J. Groenewold uit Stadskanaal/Eerste Exloërmond, en op de markt gebracht door Gi-Ho B.V.
 GINAF is in 1967 ontstaan uit de firma Gebr. van Ginkel te Ederveen, en maakt trucks speciaal voor bouwbedrijven en industrie uitgerust met DAF dieselmotoren. Jaarlijks tussen 75 en 110 wagens met een laadvermogen tussen 7 en 12 ton.
Klik hier voor een uitgebeide historie van het bedrijf of hier voor een kijkje bij GINAF anno nu.
De handelsonderneming Gi-Ho, opgericht in 1968 door de heren Van Ginkel en Houweling en gespecialiseerd in REO onderdelen, bood in 1972 reeds de GTS truck aan. Enkele jaren later (1975) waren zij verantwoordelijk voor de HOBRI truck. Vanaf 1976 werden de auto's als GI-HO aangeduid. Deze trucks waren gebaseerd op 5-tons M-truck onderdelen. Het chassis was nieuw, de motor kwam van DAF. De bouw van deze trucks werd in opdracht van Gi-Ho BV uitgevoerd bij GINAF. Door de jaren heen onstond er zo een kleine serie speciale trucks.
Naast nieuwe trucks deed Gi-Ho ook aan revisie. Het zwaartepunt lag hierbij op alwiel aangedreven trucks, met als specialiteit trucks op 'zware REO' basis. Er zijn trucks die na revisie de naam GI-HO op de grille kregen aangebracht.
In 1985 gingen de twee oprichters ieder hun eigen weg. Beide bedrijven zijn nu nog actief in de vrachtautowereld.
Gelria heeft van 1899 t/m 1906 ongeveer 30 automobielen gebouwd, die allemaal verschillend waren. Ze werden helemaal naar de wens van de klant gebouwd. Ze werden geleverd af fabriek of via de agent voor Noord Holland, de firma B. Augustinus te Amsterdam.
een Gelria uit 1900
Lees meer...
In 1892 stichtten postbode Willem Kölling en kachelsmid Rudolf Arentsen uit Dieren een rijwielhandel. In 1902 vervaardigden ze rijwielen onder de naam Gazelle. Kort nadien startten zij ook met de fabricage van motorrijwielen, die echter spoedig werd stopgezet wegens gebrek aan succes.
Lees meer...
De bekende Nederlandse rallyrijder Maus Gatsonides liet in 1939 een sportwagen bouwen op het chassis van een Mercury. De wagen werd gedeeltelijk door de carrosseriebouwer Schutter & van Bakel gebouwd en gedeeltelijk in zijn eigen garage. Hij noemde de wagen Kwik.
Lees meer...
F.T.F. (Floor’s Truck Fabriek) te Wychen bij Nijmegen. Oorspronkelijk een transportbedrijf uit Hilversum, later aanhangwagenfabriek. Sinds 1955 assemblage van Mack trucks. Vanaf 1966 eigen trucks met motoren van General Motors in de klasse van 200 tot 600pk, met laadvermogen tussen 12 en 30 ton. In 1974 werden 55 trucks afgeleverd.
Lees meer...
Eysink, Amersfoort. Machine fabriek sinds 1886, later ook rijwielen en sinds 1899 automobielen tot 1919 (±325 stuks), daarna motorfietsen en na de oorlog bromfietsen. Faillissement in 1956 maakte een eind aan het bedrijf.
De eerste productie Eysink met een 1 cylinder motor van eigen fabrikaat en een echt stuurwiel in 1899
Lees meer...
In het genoeglijke plaatsje ’s-Grave(!)moer, dat nou niet direct bekend staat om zijn industriële activiteiten, produceerde Marinus Entrop rond 1909 vier tricar-automobielen. De advertentie in de ANWB-Kampioen uit 1909 toonde zijn totale productassortiment.
Lees meer...
Autolette
Firma S. Bingham & Co, Rotterdam 1905-1906 Fietsen (Eenhoorn), Motorfietsen en auto’s (± 20 stuks één cilinder 4,5 en 5,5pk, twee cilinder 7 en 12pk)
Lees meer...
Ongeveer 85 automobielen gebouwd met Ballot motor, enkele naar Indië geleverd.
Volgens Auto-Leven jaarboek 1916 werd in 1916 de Econoom vertegenwoordigd door de fa. Hautekeet & van Asselt te Amsterdam
Driebergse Motorrijwielen Fabriek, Driebergen.
Nederlandse fabriek van de voormalige coureurs Wim Nolthenius en Joop Verkerke. Zij wilden in 1940 motorfietsen onder de naam "Servo" gaan maken. Mogelijk om de Gemeente Driebergen te paaien (en zo een Hinderwet vergunning te krijgen) veranderden ze al snel de naam in Driebergse Motorrijwielen Fabriek.
Lees meer...
Begonnen met stalen kasten en magazijnrekken. Daarna aanhangwagens en opleggers, kort voor de oorlog militaire voertuigen. Na de oorlog vrachtwagens en militaire voertuigen. Van 1958 tot 1975 ook personenauto’s. Nu alleen vrachtauto’s. Sinds 1996 eigendom van het Amerikaanse Paccar.
Lees meer...
Sinds 1869 rijwielfabriek, in 1896 eerste motorrijwielen, in 1900 enkele driewielige voertuigen met eigen motor en met De Dion motor. Na de tweede wereldoorlog plannen om de Duitse Brütsch in licentie te bouwen.
Lees meer...
Fabriek van scheepsmotoren en stationaire motoren. In 1899 werd een omnibus met Brons petroleummotor gebouwd.
Lees meer...
Bilthovensche Metaal Industrie, Bilthoven 1934 - 1937.
Lees meer...
Bikkers bouwde enkele stoomvoertuigen voor het reinigen van rioolputten reclamezuilen enz.
Halverwege de jaren vijftig waren de z.g.n. scootmobielen populair, vooral in Duitsland. Daar was b.v. de Fuldamobil te bewonderen, een paaseivormige driewieler met een JLO tweetaktmotor. De Fuldamobil werd in Nederland geïmporteerd door de Rotterdamse verkooporganisatie Hostaco en als Bambino op de markt gebracht. Er ware plannen om bij Alweco, het moederbedrijf van Hostaco in Veghel, de Fuldamobil-Bambino te gaan assembleren, maar het faillissement van de Duitse fabrikant gooide roet in het eten. Daarop ontwikkelde men zelf de Bambino Sport, die op de RAI van 1957 als portierloze polyester cabriolet werd gepresenteerd. De reactie van het publiek maakte echter duidelijk dat het driewieler tijdperk verleden tijd was.
Lees meer...
Beers, Den Haag (1915-2004)
Naast de Beers Floating Tractors uit de jaren dertig, en de Handyvan van na WOII, zijn er nog meer vrachtauto's met de merknaam Beers. In de jaren 70 en 80 zijn er door Beers Scania's aangepast (o.a. assen bijgeplaatst) waardoor er een nieuwe typegoedkeuring vereist werd. De nieuwe merknaam werd hierdoor Beers.
In 1915 verwierf Adriaan Beers het importeurschap voor Büssing bedrijfsauto's. Vanaf het begin schatte de heer Beers het belang van een goede aftersales hoog in zodat naast het leveren van chassis ook de levering van onderdelen grote aandacht kreeg. In 1923 werd het leveringsprogramma uitgebreid met het Franse merk Chenard Walker, dat niet alleen vrachtauto's produceerde, maar ook personenauto's en tractoren. Op de Bedrijfsauto-RAI van 1925 werden de Franse voertuigen voor het eerst op een beurs getoond. De zaken liepen voorspoedig zodat het bedrijf al snel haar intrek nam in een nieuw onderkomen met een werkplaats. De eerste werkplaats met de naam Beers op de gevel was een feit. In de dertiger jaren verwierf Beers het importeurschap voor de Amerikaanse Diamond T trucks. Onderwijl waren de activiteiten voor de andere merken sterk teruggelopen. Eind jaren dertig bood het bedrijf werk aan 47 medewerkers, waaronder alle vier de zoons van de heer Adriaan Beers.
Lees meer...
1901 – 1906 Haarlem en Heemstede, ± 50 auto en 1000 motorfietsen gebouwd
Op de foto is Anton van Altena te zien terwijl hij deelnam aan de wedstrijd Parijs - Bordeaux in 1904
Lees meer...
Story, Den Haag 1940-1942  Driewielig elektrisch wagentje voor twee personen. Er zijn ongeveer 10 stuks gebouwd  Bouw van de carrosserieën bij Pennock
Het door Stratingh en Becker uit Groningen in 1834 gebouwde stoomrijtuig is het eerst bekende mechanisch voortbewogen voertuig in Nederland.
(zie ook het artikel van Willem Kooijmans in het CB van december 2010)
Op 13 mei 1869 begint Johannes Bernardus Terberg een smederij in Benschop. In 1949 koopt Willem George Terberg een aantal Amerikaanse legervoertuigen uit de dump en bouwt die om voor civiel gebruik. Zijn zoons Goof en Ferdinand (Fep) bouwen het bedrijf verder uit. Sinds 1966 bouwt Terberg trucks onder eigen naam met DAF en Mercedes Benz dieselmotoren.
Zie voor foto’s de website van Terberg Benschop en de website Terberg Trucks
In 1899 werden er voor de postdienst in Amsterdam 10 elektrische bestelwagens gebouwd.
SEDDON-VAN TWIST
Kemper & Van Twist was na WO II de importeur van o.a. Seddon truck- en buschassis. Al spoedig werd er gestart met de assemblage van Seddon chassis voor de Nederlandse markt. Dit werd gedaan door “Automobielfabriek Willem van Twist”. De geassembleerde chassis werden aangepast aan de Nederlandse behoefte. Na verloop van tijd werden de auto’s als Seddon-Van Twist op de markt gebracht.
Lees meer...
Volvo, de Zweedse Volvofabriek, nam in 1975 de personenwagenfabriek in Born van DAF over. Ze bouwden daar de uit de DAF ontwikkelde kleine Volvo’s. Later kwam daar een nieuw type bij wat in samenwerking met Mitsubishi werd ontwikkeld. Momenteel is de fabriek geheel in handen van Mitsubishi en wordt daar de Mitsubishi Colt en de SUV in uitvoeringen voor Mitsubishi, Citroën en Peugeot gebouwd.
Zie de uitgebreide geschiedenis op Wikipedia
Op de scheepswerf van Wilton Fijenoord te Schiedam zijn diverse overval wagens op Ford chassis gebouwd.
Lees meer...
Een MAN bedrijfswagen waar door toevoegingen of veranderingen door Wierda een nieuwe typegoedkeuring werd vereist.
De firma Netam had voor de oorlog al een goede naam als bouwer van kippers en speciale opbouw op bestaand chassis en de bouw van opleggers en aanhangers. In de oorlog lag dat soort werk praktisch stil, daarom kreeg Ir. Stein de opdracht om elektrische voertuigen te ontwerpen voor goederen vervoer en personen vervoer. Hij kwam met twee wagens, een handig bestelwagentje en een goed uitziende kleine personenauto ze hadden een 3,6 pk elektromotor van Smit-Slikkerveer die gevoed werd met 12 accu’s van 6 volt elk. Het was de bedoeling dat de wagens later omgebouwd konden worden met een benzinemotor als er betere tijden zouden komen.
Lees meer...
Aarts was gevestigd in Dongen (NB) en bezat daar een machine fabriek. De leiding van die fabriek was in handen van een zekere Adriani, iemand die kennelijk vóór zijn aanstelling bij Aarts in Frankrijk had gewerkt en daar studie had gemaakt van de automobiel industrie.
Aarts heeft rond 1899 vermoedelijk de hiernaast afgebeelde auto geproduceerd die was voorzien van een onbekende motor uit België. Het bleef vermoedelijk bij een proefrit en tot productie is het waarschijnlijk nooit gekomen.
Kennelijk wel succesvol waren de Aarts autobussen en vrachtwagens.
Na 1900 wordt er van Aarts niets meer vernomen.
De eerste ”Electromobiel” uit de Nederlandsche Metaalwarenfabriek, een voorbeeld van innovatief ondernemerschap van een Amsterdamse fabrikantenfamilie in de tweede helft van de negentiende eeuw.
Door J.H. Scholte
Op dinsdag 23 mei 1899 konden genodigden en hun dames in het Velodrome, het gebouw van de rijwielschool Velox om half acht ’s avonds de eerste Electromobiel uit de Nederlandsche Metaalwarenfabriek bezichtigen. Het velodrome was in 1897 gebouwd, het was de grootste overdekte rijwielschool van Nederland. Hier werd bij slecht weer fietsles gegeven aan dames in elegante lange rokken en hoog gesloten blouses. Met gevaar voor eigen leven, op fietsen met een onhandig hoog wiel. De oefenhal had daarom gecapitonneerde wanden om tegen vallen te beschermen. Mevrouw Ella Molenaar van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis was zo vriendelijk om mij een kopie van de uitnodiging toe te sturen, vermoedelijk is dit het enige nog bestaande exemplaar. In het velodrome werd door de bestuurder van de Electromobiel zogenaamde ”evoluties” uitgevoerd. Het rijtuig reed achteruit, vooruit en bewoog zich in allerlei bochten, reed met een snelle vaart in op een groep personen. Bij de groep aangekomen verrichtte de bestuurder een zwenking. De makkelijke bestuurbaarheid werd als voordeel gezien op gewone wagens met paarden.
Een paar maanden later besteedde de heer H. Vreedenburg in het tijdschrift de Natuur een uitgebreid artikel aan de eerste Electromobiel, ontworpen door Arnold Wilhelm Scholte, die elektrotechnicus en mededirecteur van de Nederlandsche Metaalwarenfabriek te Amsterdam was. Het rijtuig had de vorm van een Victoria met twee zitplaatsen. Ook de Kampioen wijdde iets later een artikel, grotendeels overgenomen uit het tijdschrift de Natuur, aan de eerste Nederlandse Electromobiel, later door de Nederlandsche Metaalwarenfabriek de ”Electricit” genoemd. Vermoedelijk droeg de eerste Electromobiel het rijksnummer 73, als eigenaar werd opgegeven J.W. Scholte, directeur van de Nederlandsche Metaalwarenfabriek. Er zijn tot op vandaag twee foto´s van de ”Electricit” bekend, die onder een iets verschillende hoek genomen zijn.
 Het automobilisme stond in 1899 Nederland nog in de kinderschoenen; elektrische auto´s reden er nauwelijks. In deze periode zijn maar twee andere elektrische auto’s bekend, die geïmporteerd waren. De bakermat van het Nederlandse automobilisme stond in de Wieringerwaard. Dirk Kuiper die in 1896 koetsier was bij notaris Backx had deze regelmatig bewerkt voor een automobiel. Backx was niet direct enthousiast want een erkend ingenieur had hem nog gewaarschuwd voor het veelvuldig warmlopen van de nieuwe benzinewagens. Hij weet er niks van had Kuiper toen geantwoord, als ik de assen van het rijtuig niet smeer, worden ze ook warm! En Kuiper was deskundig: hij had ervaring met stoomdorsmachines. De order voor de Daimler Victoria werd dus geplaatst. De koopsom was ƒ 3000,00 en de maximum snelheid bedroeg 25 km/h. In oktober 1896 werd per trein de eerste auto voor ons land aan de Weesperpoort te Amsterdam aangevoerd. *)
Ruim twee jaar later besloot de Nederlandsche Metaalwarenfabriek een elektrisch voertuig te gaan maken. Op dat moment gingen ook andere firma´s zich met het vervaardigen van m.n. benzine voertuigen bezighouden. Maar volgens H. Vreedenburg begreep de directie van de Nederlandsche Metaalwarenfabriek dat men beter voor het beste systeem kon kiezen en maakte zij daarom gebruik van een elektromotor en elektriciteit als krachtbron. Elektrische auto´s waren populair want in tegenstelling tot benzine auto´s waren ze schoon, stil en makkelijk te starten. In 1899 schafte de Russische tsaar ook een electromobile aan waarvan een afbeelding bekend is. In hetzelfde jaar melde het Franse wielertijdschrift ”Le Vélo” dat ook paus Leo X111 een elektrische auto besteld had. Of de Heilige Vader daadwerkelijk in een elektrische auto heeft gereden is mij niet bekend. Ook vrouwen hadden voorkeur voor een elektrische auto; ook Edison’s vrouw Mina bezat een elektrische auto. Edison zag grote mogelijkheden voor stroom en verwachtte dat er binnen 15 jaar meer stroom voor auto’s dan voor lampen verkocht zou worden. Ook hij hield zich bezig met het ontwerpen van systemen voor elektrische voertuigen. Zelf gaf Edison de voorkeur aan een benzine auto.
De ”Electricit” moet als eerste in Nederland gebouwde elektrische auto beschouwd worden. Er zijn geen aanwijzingen dat er op dat moment een Nederlandse fabriek een elektrisch voertuig ontwikkeld had. Wel staat er een elektrisch rijtuig van 7 pk met een rijksnummer 14 geregistreerd op naam van A.S. Houwink uit Nijmegen. Dit is vermoedelijk een handelaar die auto’s importeerde.
Aangenomen kan worden dat Arnold Wilhelm Scholte de geestelijke vader van de ”Electricit” is. Hij was de elektrotechnicus, zijn broer was meer de fabrikant van metaalwaren. Toen de ouders van Arnold in 1868 overleden was hij ruim een half jaar oud. Zijn oom J.T. Scholte en zijn tante Amalia Jaspers voedden hem op als hun pleegzoon. Het milieu waarin hij opgroeide heeft hem sterk beïnvloed. Zijn pleegvader was voor hem als fabrikant en uitvinder een belangrijk voorbeeld en inspiratiebron. Daarom zullen de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van elektriciteit hem geboeid hebben. Zijn pleegbroer Johannes Wilhelmus Scholte, die de Metaalwaren fabriek van zijn vader Johannes Theodorus Scholte zou overnemen, was zeer waarschijnlijk minder begaafd op dit gebied.
 Johannes Theodorus Scholte was de oprichter en grondlegger van de Scholte´s Metaalwerken Fabriek. Op 26 jarige leeftijd begon Johannes in 1853 zijn carrière als koopman met twee medevennoten om handel te drijven in Engelse, Franse en Duitse kramerijen. Deze vennootschap werd in 1855 weer ontbonden, Johannes ging alleen door onder de naam Scholte & Co. In 1858 was zijn magazijn gevestigd op de O Z Voorburgwal A no. 176 tegenover het stadhuis waar de firma C. ten Brink & Co gevestigd was. Een jaar later plaatse hij een advertentie in het Algemeen Handelsblad dat hij de zgn. ”Tuckers”, springmatrassen uit Parijs importeerde die hij middels depothouders verkocht. J. de Vries vermeldt in zijn Gedenkboek Honderd vijftig jaar Kamer van Koophandel en Fabrieken, uitgegeven in 1961, dat J.T. Scholte in 1860 het initiatief nam tot de stichting van een metaalwarenfabriek aan de Plantage V 102. Op 11 juni – 5 juli 1861 diende Scholte een bouwverzoek en tekening in voor het bouwen van een houten loods achter de bestaande bebouwing. Op 1 oktober – 5 oktober 1861 diende hij een bouwverzoek en tekeningen in voor de bouw van een loods met een smeltoven. De in 1862 gereedgekomen fabriek was op dat moment de grootste en modernst ingerichte metaalwarenfabriek van Nederland, in dat jaar werkten er al 140 mensen. In zijn fabriek werkten ook vrouwen en de arbeiders werden door hem opgeleid om het vak te leren. Van Scholte’s Fabriek van Metaalwerken in de Plantage Kerklaan V 102 is een gravure bekend. De carrière van J.T. Scholte als fabrikant en innovatief ondernemer vangt in 1862 aan. In haar eerste jaren verliep zij buitengewoon voorspoedig. Koning Willem III en zijn zoon bezochten zijn fabriek in 1863. In dit jaar werden er in de maanden september en oktober alleen al 20.000 petroleumlampen vervaardigd. Daarnaast exporteerde Scholte ook ledikanten naar Engeland hetgeen wel wat wilde zeggen. Maar daar bleef het niet bij, Scholte produceerde bijna alles wat van metaal te maken of te gieten was. In hetzelfde jaar ontving J.T. Scholte twee octrooien voor de tijd van 10 jaar. Eén op de verbetering van petroleumlampen en één op de uitvinding van een ijsmachine. Als uitvinder heeft Johannes Theodorus Scholte nog een aantal patenten op zijn naam staan. Op 19 juli 1865, het jaar van de tweede grote brand, ontving Scholte een octrooi voor 15 jaar op zijn uitvinding van verbeteringen aan gas- en watermeters, berustend op de aanwending van een helicoïdale beweging. Op dezelfde datum werd hem ook een octrooi voor 15 jaar voor zijn verbeterd electro-magnetisch uurwerk naar de vinding en samenstelling van Hipp toegekend. Maar tegenspoed bleef hem niet bespaard. Zijn fraaie fabriek werd in 1864 en 1865 zwaar getroffen door brand. Hij moest strijd voeren tegen de bestuurders van Natura Artis Magistra, die de fabriek gevaarlijk vonden en zijn fabriek verplaatst wilden zien. Zij maakten bezwaar en voerden processen tegen de herbouw van zijn fabriek tot aan de hoge Raad. Daarnaast werden zijn plannen om de fabriek op het door hem in 1865 aangekochte landgoed Frankendaal - de huidige Lineaus hof - te herbouwen door de economische recessie van 1866 bemoeilijkt. De daarvoor opgerichte cv ”Nederlandsche Metaalwaren Fabriek” werd binnen een jaar weer ontbonden; de fabriek werd op Plantage Kerklaan V 102 herbouwd. Het is opvallend dat in 1892 de naam van deze ontbonden cv weer door zijn zoon wordt gebruikt! Het instorten van een in aanbouw zijnde fabrieksgevel, tijdens een zware storm in december 1868, op het aangrenzende magazijn van zijn buurman Bahlmann & C°, was opnieuw een tegenslag. Er werden processen over de schade gevoerd, die hij uiteindelijk won. Maar ook persoonlijk leed werd hem niet bespaard, zo stierf zijn tweede zoon Petrus Maria Louis op 4 jarige leeftijd in 1869. Maar Scholte liet zich niet uit het veld slaan. In 1868 importeerde hij vélocipèdes van de gebroeders Michaux om ze in eerste instantie via wederverkopers te verkopen, daarmee was Scholte de eerste fietsverkoper van ons land. Maar hij zag ook nieuwe mogelijkheden voor zijn fabriek, bracht verbeteringen aan door o.a. de houten onderdelen te vervangen door metaal. Kort daarna is zijn fabriek de fiets van Michaux gaan namaken. Dit kon omdat de Michaux broeders, hoewel het begaafde technici waren, vergeten waren patent op deze uitvinding, althans het was een verbetering aan de loopfiets, aan te vragen. De door Scholte nagebouwde ”stalen Michaux” was vijftig procent goedkoper dan in Parijs, maar toch was de prijs van zeventig tot tachtig gulden voor een tweewieler nog steeds aanzienlijk hoog, zeker als wij het gemiddelde uurloon van negentien cent of een jaarsalaris van 350,00 gulden in aanmerking nemen. Over de jaren 70er jaren is minder bekend, er is dan sprake van consolidatie. In de jaren tachtig ziet Scholte weer nieuwe mogelijkheden en gaat lichtgevende olie - waterverf van de firma Balmain importeren. Hij adverteert om wederverkopers en prijst de verf aan om er plafonds van spoorrijtuigen mee te schilderen. In 1881/1882 vond Scholte een manier uit om stoven zodanig te ontwerpen dat zij langdurig warm bleven, hij kreeg daar ook octrooi op. Wederom zag hij weer mogelijkheden om zijn producten af te zetten, in dit geval een grote afnemer de Staatspoorwegen, die op 14 mei 1882 een proef met 20 stuks namen om hun rijtuigen te verwarmen. De proef verliep succesvol, daarna volgde een bestelling van 400 stuks. Maar ook de Franse spoorwegen hadden interesse en plaatsten een bestelling. Inmiddels had Scholte in 1882 octrooi op zijn chemische stoven in Frankrijk, Engeland en Duitsland gekregen. Dit wilde toch zeggen dat er sprake was van een uitvinding, zo schreef het Algemeen handelsblad, maar wat nog meer zegt is dat ook in Duitsland octrooi werd verleend, want zoals de krant schreef: ”daar wordt alleen octrooi verleend als men met iets werkelijk nieuws voor den dag komt”. Ook hier een voorbeeld dat Scholte over de grens keek en zijn producten in het buitenland probeerde af te zetten. Zo werden zijn petroleumlampen zelfs in Egypte verkocht. Maar daarnaast bemoeit hij zich in 1884 ook met de bouwplannen van een nieuw beursgebouw. Hij dient zelfs, hoewel wat aan de late kant, een ”beursplan” in. In 1886 vond hij de verbeterde ”Simplex petroleum lamp” uit, waarvoor een nieuwe naamloze vennootschap werd opgericht. Op 30-09-1887 werden de statuten van de NV. Scholte’s Metaalwarenfabriek met een kapitaal van fl. 200.000,00 in de Staatscourant gepubliceerd, J. Th. Scholte werd hoofddirecteur, U.W.F. IJpey directeur. In Hilversum werd een nieuwe lampenfabriek opgericht. Een fabrieksgebouw van de gebroeders Spijker aan de Stationsweg werd gehuurd. In mei 1889 werden de Simplex lampen, die op de Tentoonstelling van Parijs geëxposeerd werden, bekroond met een zilveren medaille. De lampen werden in Amsterdam, Brussel en Parijs in de ”Simplex depots” verkocht. Daarvoor werd op 5 mei 1891 door J.T Scholte met L.A Beausar een NV. de ”Maatschappij tot exploitatie van Scholte’s Simplex depot” opgericht. Het oprichtingskapitaal bedroeg fl. 120.000 in 120 aandelen van fl. 1.000,00. Scholte en Beausar storten ieder direct fl. 15.000,00 zijnde 15 aandelen per persoon. Het bestuur zou gevoerd worden door drie commissarissen waarvan Scholte en Beausar voor 15 jaar benoemd werden. Toen kwam het einde. Johannes Theodorus Scholte overleed plotseling in Hilversum op 18 mei 1891. Zijn dood was een zware slag voor de fabriek. Kort daarna ging de naamloze vennootschap Scholte’s Metaalwarenfabriek in liquidatie. Ook de Metaalwarenfabriek in Hilversum werd geliquideerd. De voorraden werden met hoge korting, o.a. bij Wille & Co. in Amsterdam, verkocht. Zijn zoon Johannes Wilhelmus Scholte zette de Metaalwarenfabriek, die gevestigd was in Amsterdam, in afgeslankte vorm voort. Daarvoor werd in 1892 de NV Nederlandse Metaalwarenfabriek opgericht met een kapitaal van fl. 50.000,00. Johannes Wilhelmus Scholte werd directeur, de commissarissen waren jhr. C.J. den Tex, W.J. van Sandick en H. Mulder, de laatste was zijn schoonvader. Alle gebouwen, machines etc. van Scholte’s Metaalwarenfabriek gingen in de nieuwe naamloze vennootschap over, die zich ten doel stelde ”alle metaalwaren te fabriceren die door Scholte´s metaalwarenfabriek werden gefabriceerd”. De Nederlandsche Metaalwarenfabriek (1892/1902). De nieuw opgerichte NV. bleef zich in eerste instantie richten op de verkoop van de Simplexlampen, die door Arnolds & Co gevestigd aan de Reguliersbreestraat 3 bij de Munt werden verkocht. Op 29 augustus 1892 adverteerde de fabriek met een stoomslijperij - galvaniseer inrichting, waar men binnen 24 uur tegen billijke prijzen kon laten vernikkelen, verzilveren, bronzen en vergulden. De mobiele chemische stoven voor de spoorwegen werden vervangen door vaste stoven. Er werd wel naar nieuwe productiemogelijkheden gezocht, maar men hield zich ook bij het oude vertrouwde zoals het verwerken van metaal, petroleum en later gas. Maar de tijden waren snel aan het veranderen, elektriciteit was in opmars. Petroleum en gas waren praktisch aan het eind van hun productiecyclus. In 1894 adverteerde de fabriek dat bij hun depot Arnolds & Co petroleumkachels en gaskachels als nieuw product werden aangeboden, kennelijk bestond hier een behoorlijke vraag naar. In 1897 werden gifvrije Alboide koffie, theeserviezen en bouilloirs enz. ontwikkeld en in productie genomen. Deze waren volgens een advertentie in het Algemeen Handelsblad bij Arnolds & Co en alle grote winkeliers in de provincie te koop. Dit was een moeilijke markt met opkomende concurrenten. Al met al werd er tot 1898 minder aan de innovatieve weg getimmerd.  Arnold Wilhelm Scholte was net 23 jaar oud toen zijn pleegvader overleed en speelde in de begin jaren nog geen belangrijke rol in de fabriek. Kort na het overlijden van zijn pleegvader trouwde Arnold met Stephanie Wilhelmina Maria Cramer. Als beroep werd door Arnold opgegeven ”koopman”. Zijn schoonvader Stephan Cramer, die getrouwd was met Elise Jaspers, was Justizrath en Königlicher Notar. Een voorbeeld van sociale mobiliteit waarbij fabrikanten in de gegoede kringen trouwden In de beginjaren zette zijn pleegbroer Johannes Wilhelmus de fabriek op oude en vertrouwde voet voort. Maar de marktomstandigheden verslechterden. Medio 1898 moet het innovatieve idee hebben post gevat om een elektrische automobiel te gaan bouwen om deze in de daarvoor aangepaste metaalwarenfabriek op grotere schaal te gaan fabriceren. Op deze manier werd getracht een nieuwe opkomende markt aan te boren waarvan veel werd verwacht. Arnold Wilhelm, die als elektrotechnicus de kennis en vaardigheid bezat om een elektrische auto te ontwikkelen, heeft daarin een belangrijke rol gespeeld. Elektrische auto’s waren in opkomst, in Frankrijk reden er al diverse rond. Arnolds overleden oom en pleegvader Johannes Theodorus Scholte had altijd goede zakelijke contacten in Frankrijk gehad. Het ligt voor de hand dat de gebroeders zeker naar de Franse concurrenten en techniek hebben gekeken. Begin 1899 werd met de bouw van de elektrische auto begonnen. Het werd een model Victoria voor 2 personen met een gewicht, incl. twee personen, van ongeveer 800 kg. waarvan 300 kg voor de accumulatoren batterij. De afmetingen waren 2,18 x 1,33 meter. Voor de winter was er een kap die ’s zomers neergelaten kon worden.  Enig nadeel waren de zware accumulatoren waardoor het voertuig ongeveer 800 kg incl. 2 personen woog. Om gewicht te besparen werden moderne materialen en technieken gebruikt zoals aluminium. Voor het laden van de accu’s was wel enig tijd nodig maar met de opgeladen batterij kon men toch een rit van ruim 5 uur met snelheid van 15 km. per uur maken. Een hele prestatie voor die tijd. H. Vreedenburg verwachtte dat in deze verhoudingen nog verbetering zou komen. Met uitzondering van de accumulator - batterij en de banden waren alle onderdelen van de electromobiel in de Metaalwarenfabriek vervaardigd. Sommige onderdelen waren het gevolg van eigen vinding, een heel prestatie. De accumulatoren bevonden zich in een bak onder de zitplaatsen en in een daarachter uitstekende bak met deksel. Zij bestond uit 38 cellen van het type Fulmen, een betrouwbaar systeem dat als een der beste in Frankrijk bekend stond. De cellen bestonden uit ebonieten bakken met daarin zeven positieve en 8 negatieve platen van een legering van lood met antimonium. De cellen waren met een zwavelzuurverbinding gevuld. Het laden van de lege batterij duurde vijf tot zes uur maar er werd uitgegaan dat de batterij niet geheel leeg werd gereden. In New York en Parijs had men inmiddels meer ervaring. In New York reden zo’n 100 elektrische rijtuigen waarvoor een groot laadstation en remise was gebouwd. Hier konden ook reparaties worden uitgevoerd. Ook Parijs bezat een laadstation, zie afbeelding. Terwijl de gebroeders aan de eerste electromobiel werkten, werd niet vergeten dat daar ook oplaadpunten voor moesten worden aangelegd. Ook dit is nog steeds een van de zwakheden van de moderne huidige elektrische auto’s. Omdat zij plannen hadden voor een landelijk netwerk met laadpunten werd de hulp ingeroepen van P.J. Neijt. Als werknemer en ingenieur van de staatsspoorwegen had hij ervaring met de aanleg van een infrastructuur zoals het spoornet. Meegespeeld zal hebben dat Neijt goede contacten op regeringsniveau had. Op het moment van de aanvraag was Neijt ook lid van de gemeenteraad van Amsterdam, waarvoor hij in 1901 bedankte. Op 5 januari 1899 verzochten J.W. en A.W. Scholte samen met P.J. Neijt om een concessie van de Nederlandse staat om langs openbare wegen op een gemiddelde afstand van 5 km oplaadpunten te kunnen plaatsen. Dit verzoek is toch wel bijzonder en klinkt vandaag de dag nog modern. Het verzoek had geen positief gevolg, maar was kennelijk ook minder opportuun omdat er samengewerkt ging worden met de Maatschappij ”Holland”. (op 15 februari 1899 werd het verzoek afgewezen). Overigens werd het gebrek aan oplaadpunten niet als een onoverkomelijk probleem gezien. In tegendeel: de elektromobiel werd als het voertuig van de toekomst gezien. Verwacht werd dat een verbetering van de accumulatoren niet zou uitblijven. Daarnaast was benzine ook niet overal verkrijgbaar op grotere afstanden. Bovendien had benzine een onaangename geur, was het gevaarlijk want zij kon ontploffen. Maar inmiddels waren er ook nieuwe positieve ontwikkelingen. Op 29 april 1899 werd in Amsterdam een maatschappij tot Exploitatie van Mechanische vervoermiddelen “Holland” opgericht. Het oprichtingskapitaal was 1 miljoen gulden, waarvan op 13 mei fl. 375.000,00 was geplaatst en de overige fl. 625.000,00 voor 31 december 1908 geplaatst moesten zijn. Het doel was uitsluitend elektriciteit als beweegkracht aan te wenden. Directeur werd A. de Leur. Op 9 mei 1899 meldde de Kampioen dat er reeds twee rijtuigen besteld waren welke gedurende een zekeren tijd zullen proeflopen. Ik neem aan dat de twee genoemde elektrische rijtuigen bij de Metaalwarenfabriek werden besteld Tevens werd gemeld dat men begonnen was met het bouwen van een elektrische centraal inrichting om de accumulatoren te laden. Deze inrichting zal een capaciteit hebben ca. 400 effectieve Paardenkracht. De maatschappij ”Holland” was met haar werkplaats en remise gevestigd op de Weesperzijde 94. De ”Electricit” moest ook nog worden goedgekeurd. Hiervoor werd door de minister van Waterstaat, de opzichter der wegen een proefrit gemaakt. In het artikel van eigen Haard werd hiervan verslag gedaan dat ik samenvat: men reed de Weesperzijde op, en verder in de richting van Duivendrecht, waar het op een landweg met diepe karrensporen terecht kwam. Het rijtuig bleef steken, de stroomregelaar werd stilgezet. Het gezelschap overlegde; de motor werd op een lagere spoed gezet. Door het voertuig een beetje bij te lichten kon het op eigen kracht loskomen. De bestuurder moest zich haasten om in de wagen te springen om het op hol gaan te voorkomen. Na deze rit werd het voertuig goedgekeurd. Op 31 augustus vroeg de maatschappij ”Holland” bij B&W een vergunning aan voor het plaatsen van een gasmotor van 18 pk voor het opwekken verlichting en het opladen van accumulatoren werd. Dankzij beschrijving de heer H. Vreedenburg, beschrijving van de de electromobiel in het tijdschrift ”De natuur” en een artikel in De Kampioen is een goede technische beschrijving te geven. De Victoria bestond uit twee delen namelijk het onderstel en de ”bak”. Het onderstel bestond uit het frame, de assen, veren, wielen en remmen. Door de constructie van het frame konden de voor- en achteras ten opzichte van elkaar bewegen waardoor de wielen de weg bleven raken. De wielen aan de voor en achteras waren voorzien van kogelnaven. De wielen aan de vooras hadden zgn. pivots, die bewogen middels een horizontale handel. De wielen hadden vernikkelde tangentiaalspaken en velgen, waarop een pneumatisch binnenband met een sterke “gutta-percha” buitenband gemonteerd was. Bij een lekke band kon men gerust zijn weg vervolgen totdat men de band kon verwisselen. Aan weerzijde in de bak waren twee handremmen aangebracht die middels remschoenen op de achterwielen drukten. Modern was de voetrem op de vloer van de bak die middels elektriciteit een stalen band om een schijf met holle rand met een middellijn van 30 cm kon spannen. Deze schijf is op de foto goed zichtbaar. De motor woog 60 kilogram waar omheen een aluminium kast van 50 cm x 30 cm x 17 cm. De capaciteit van de motor was 2 kilowatt maar kon een overbelasting hebben van 500 % gedurende (10 kilowatts) gedurende 7 minuten en een overbelasting van 100% gedurende 20 minuten ( (4 kilowatts). Voor het bedienen van het voertuig was wel enige kennis van elektriciteit nodig. De elektromotor bestond uit de kern en de ”be-ankering” die de draaiende beweging via tandraderen overbracht op de achteras. De differentieel inrichting, waardoor het rijtuig een korte bocht kan nemen, was ook opgesloten in een aluminium kast. Door C. Contal werd een vergelijkbaar systeem ook toegepast. In het Franse tijdschrift La Nature heeft P. Badrand in 1901 in een artikel Les voitures ”Electricia”, systeme C. Contal, een vergelijkbare elektrische Victoria uitgebreid beschreven. Onder de achterbank was een ”commutator” (stroomwisselaar) aangebracht die via een handel de spanning via groepen kon regelen. Het rijtuig kon daardoor stapvoets of in trappen van bijvoorbeeld 5, 10 of 12 km per uur of meer comfortabel rijden. Ook Contal paste dit systeem toe, hij noemde deze kast een ”combinateur”, waarvan een afbeelding in La Nature staat afgebeeld. Benzine rijtuigen hadden een schakelsysteem met 3 steltandraderen waardoor het voortbewegen van het voertuig met een schok gepaard ging waardoor wrijving ontstond die nadelig was voor het mechanisme. Mede daarom verdiende de elektrische auto de voorkeur. Een voor in de bak aangebrachte voltmeter gaf het aantal Ampères en de spanning aan, daarmee kon het verbruik gemeten worden. Bij een snelheid van 15 km per uur bedroeg dit 14 Ampères waarmee dan in 5 uur zo’n 75 km kon worden afgelegd, waarmee steden als Haarlem en Den Haag binnen bereik kwamen te liggen. Een hele prestatie voor die tijd! Ook aan de veiligheid werd gedacht, in plaats van petroleumlampen waren er twee elektrische gloeilichten geplaatst in vernikkelde kelken, die op de foto’s goed te zien zijn. De lichtsterkte was gelijk aan 30 kaarsen. Modern was dat het rijtuig met een kleine koperen bladschroef, dat de bestuurder bij zich kon steken, het stroomcircuit kon onderbreken, waardoor het voertuig niet door de een of andere onverlaat gestolen kon worden. Proeven wezen ook uit dat de electromobiel zonder snelheid te minderen veilig de hoge bruggen die Amsterdam heeft, kon oprijden. Er werden hellingproeven gedaan waarbij het rijtuig halverwege de brug met behulp van de rem werd stilgezet, enige tijd wachtte en daarna zonder moeite de helling verder opreed. Zelfs hellingen van 1 op 8 werden zonder moeite genomen. Al waren de verwachtingen hoog gespannen voor de Nederlandsche Metaalwarenfabriek, die zoals de Kampioen schreef ” een schitterende toekomst tegemoet gaat, en de eer heeft het eerst weer een echt Nederlandsche industrie te hebben gevestigd”. Ruim twee jaar na de introductie van de elektrische auto overleed op 21 maart 1901 op 33 jarige leeftijd, na een smartelijk lijden, Arnold Scholte. De werklieden van de Nederlandsche metaalwarenfabriek gaven in een rouwadvertentie kennis dat ”Allen, die hem in zijn werkkring gekend hebben, zich kunnen voorstellen, welk verlies ons door zijn heengaan treft”. Deze advertentie is veelzeggend. Zijn dood was een zware tegenslag voor de Nederlandsche metaalwarenfabriek, die veel van de elektrische auto verwachtte. Na zijn dood raakte de ”Electricit” in het slop. Na Arnolds’s dood zijn er zeker nog auto’s gebouwd. Hoeveel electromobielen er gemaakt en verkocht zijn heb ik niet kunnen achterhalen. Het doek viel in november 1902. In een advertentie werd het kapitale, uitstekend ingerichte fabrieksgebouw en erf aan de Plantage Kerklaan nr. 31 met het daarnaast gelegen woonhuis nr. 33 en complete inboedel op 10 november bij opbod en afslag en bij eind combinatie op 17 november geveild. Op dinsdag 11 november 1902 werd alle machinerieën en gereedschappen zich bevindende in de voornoemde fabrieken benevens ”1 Electromobiel, 1 elektrische batterij en 3 onderstellen ten dienste van elektrische voertuigen, zomede de goederenvoorraad, oud ijzer, koper en zink enz.” door Z. Deenik makelaars en van Essen & de Vries in het veilinglokaal Frascati geveild. Ten gevolge van het faillissement moest de maatschappij ”Holland” in1902 op haar belang in de Metaalwarenfabriek op haar winst en verliesrekening fl. 16.003,37 afschrijven. Hoe ging het verder? J.W. Scholte zette de fabriek voort op de Hoogte Kadijk 145, hij overleed in 1909. Drie jaar later viel het doek definitief, de fabriek ging opnieuw failliet. En de elektrische auto hoe ging het daar mee? De hooggespannen verwachtingen werden niet waar gemaakt, de ontwikkelingen bleven achter bij de benzine auto die o.a. een elektrische startmotor kreeg. Tot de eerste WO werden er wel elektrische auto’s geproduceerd maar uiteindelijk won de benzine auto het. Mede speelde ook dat elektrische auto’s als vrouwen auto’s werden gezien. Hoe verging het de maatschappij tot Exploitatie van Mechanische vervoermiddelen “Holland”? Hiervan is mij niet veel bekend. Zij hield tot in de dertiger jaren ieder jaar haar jaarvergaderingen, maar in de 30er jaren verdwijnt ook zij in de nevelen van de tijd.  Ook de fietsschool Velox had ondanks het grote succes van de beginjaren geen lang bestaan. Er kwamen modernere Engelse fietsen met twee even grote wielen. Het leren rijden op zo’n safety fiets was veel makkelijker dan op een fiets met een hoog en een laag wiel. Men leerde het elkaar fietsen, daarmee werd een rijwielschool overbodig. Nadat rijwielschool failliet was gegaan werd de vloer verstevigd om een showroom van zware machines in het gebouw te kunnen vestigen. Maar ook de showroom was geen lang leven beschoren. De verstevigingen kwamen goed van pas, in het gebouw Velox werd een badhuis gevestigd. In 1912 werd het Zuiderbad geopend. *) noot: dit is inmiddels achterhaalde informatie want in 1895 was er al een auto in ons land.
|
|