
6 mei 2026: Laurent Friry, voorzitter van de Franse PHAF (de Franse Conam) is op zoek naar de geschiedenis van een Duesenberg, die in Europa verkocht zou zijn. Hij vond daarbij een briefwisseling tussen Ray Wolff, de overleden Duesenberg historicus, en het Nationaal Automobiel Museum. De brief dateert uit 1979 en ging over een Duesenberg, waarschijnlijk gebouwd in Frankrijk, die eigendom was van een Nederlander. Zijn weduwe zocht meer informatie.
Bij de brief zat een foto van de auto (zie hierboven). Helaas is er alleen deze slechte fotokopie, waarop details nauwelijks zichtbaar zijn. In het archief van het Louwman Museum, de voortzetting van het NAM, is deze brief en de originele foto niet meer terug te vinden.
Het kenteken zou N-15 kunnen zijn, maar op basis van dit kenteken – en de varianten die met 15 beginnen – is er volgens de website ‘De auto van mijn opa’ geen mogelijke match te vinden met een Duesenberg.
Omdat de wagen zich volgens de brief in 1940 in Roemenië bevond, kan dit mogelijk een buitenlands kenteken zijn, maar om dat vast te stellen, zou ook het lettertype goed zichtbaar moeten zijn. De foto is echter te onduidelijk om daar iets met zekerheid over te zeggen.
De Duesenberg zou in de jaren vijftig en zestig nog in Roemenië als racer gebruikt zijn (zonder de carrosserie), maar daarna lijkt elk spoor dood te lopen. Wie zou hier meer over kunnen vertellen?




































































































































17 december 2018: Willy Bels uit Leopoldsburg in België zag als tienjarige vaak een gele Plymouth Convertible uit 1951 rijden. Deze cabriolet werd indertijd verkocht door garage Nova uit Sint-Truiden. De auto viel op omdat er toen nog zo weinig auto's op de weg reden en natuurlijk door z’n model en kleur, waardoor hij opviel tussen de oude hoekige vooroorlogse modellen, die toen ook al weinig rondreden.






























Handelsmaatschappij Hart Nibbrig & Greeve aan de Parkstraat in Den Haag was aanvankelijk in hoofdzaak importeur van auto’s en motoren. In 1948 toen de vraag naar auto’s groot was en het aanbod uit het buitenland klein, zag Greeve kansen voor een eigen autoproductie. Hij koos voor een variant van de IFA-Zwickau tweetakt, de latere Trabant. Een financiële injectie van de Handelsbank maakte het mogelijk enkele ingenieurs over te laten komen uit Chemnitz met in hun koffer tekeningen van een op de DKW geïnspireerde auto. Aan de hand daarvan werd een schaalmodel gemaakt. Hierna bouwde de firma Pennock aan de Binckhorstlaan in Den Haag een chassis dat werd voltooid onder leiding van Rinus Bruijnzeel, die chef was van de werkplaats van HNG. Toen duidelijk werd dat het verder ontwikkelen en opzetten van een productielijn veel meer geld ging kosten dan aanvankelijk was begroot, trok de Handelsbank zich terug. Uiteindelijk werd er slechts één auto geproduceerd, waar Rinus Bruijnzeel nog jaren mee heeft gereden.










































7 januari 2015: Jan van der Lit is bezig met de voorbereidingen van een jubileumboek voor de Algemene Buggy Club. Hiervoor is hij onder andere op zoek naar het toenmalige adres van het bedrijfspand waar de Hustler buggy's werden gebouwd. Deze buggy's werden gefabriceerd door de firma 'Arnhems Proto Conversions'. De eigenaar, de heer C.J. Dingjan, bracht in 1972 de Hustler buggy op de Nederlandse markt. In de beginperiode breekt er brand uit in het bedrijf, waarbij de gehele voorraad en mallen in vlammen zijn opgegaan. Het bedrijf was vermoedelijk gelegen in Elst (Gld). Wie kan Jan aan het adres helpen?


















4 juli 2013: Theo Barten (een van de schrijvers van 




Dit keer is niet de auto het probleem, want die is door Hans Waldeck al ontmaskerd als een 












